Print dit verhaaltje

Palmerston
Joost, 5/10/2007, 23:00

Twee dagen veel wind en regen. Om ons heen overal de typisch Hollandse luchten met veel vette regenwolken en af en toe een hele korte opklaring. Dat zijn we niet meer gewend. Gelukkig kan onze zeilkleding voor deze omstandigheden nog steeds bestaan uit korte broek, want de temperatuur is wel tropisch. Palmerston is nog een dag zeilen en het spant erom of we nog bij daglicht kunnen aanlopen. In de nacht trekt de wind aan tot kracht zeven en racen we een paar uur lang die lege zee over. Maar als het ochtend wordt zakt het in en liggen we zelfs vijf minuten in complete windstilte. Het ziet er niet goed uit voor een aankomst in het licht. Maar dan hebben we geluk. Er verzamelen zich hoge stapelwolken en we komen weer op snelheid. Aan het eind krijgen we ook nog wat stroom mee en lukt het om rond schemering achter Palmerston te komen waardoor we in ieder geval verlost zijn van de golven. Nog een half uur te varen tot aan de meerboeien. Het wordt donkerder en donkerder en het oppikken van een meerboei in het licht gaat niet meer lukken. We hebben wel een kaart van de eiland, maar het is nooit zeker of die helemaal correct is. Het is op andere plaatsen al meerdere keren gebeurd dat we volgens de kaart over eilandjes heen voeren. Ik roep Palmerston radio op en vraag of we een meerboei kunnen oppikken. Het antwoord in het Engels met een vreemd accent is dat dat geen probleem is en dat ze iemand naar buiten sturen om ons te assisteren. We varen door en als we op de plaats van de meerboeien zijn is er nog geen bootje te zien. Er is sowieso niets meer te zien, want het is nu echt donker. In de verte zien we wel wat lampjes. Misschien van een andere boot die hier volgens Palmerston radio ook geankerd zou zijn. We varen er voorzichtig op af. Heel voorzichtig, want volgens de kaart is dat recht op het rif af. We zijn nog heel ver van de lichtjes vandaan en dan springt de dieptemeter van honderden meters diep ineens naar twaalf! Meteen bijsturen, want die riffen rijzen soms verticaal uit zee op. In de draai ontwijk ik nog net wat plastic flessen. Zijn dat de meerboeien? Of is het vistuig? Gelukkig komt er niks van die lijnen in onze schroef terecht. Ik roep Palmerston nog een keer op en krijg te horen dat we een boeitje kunnen oppikken. Het ontcijferen van dat accent is niet zo makkelijk en ik heb die assistentie blijkbaar toch verkeerd begrepen. Maar de plastic flessen zijn dus de meerboeien en we dolen heel langzaam in het donker rond om ze weer terug te vinden. Ilse op de voorpunt met de lamp en ik aan het roer met het ene oog op het donkere water, het andere oog op de dieptemeter en angstvallig wakend voor het grommende geluid van het rif. Dan zien we er eentje. Precies op dat moment komt er ook gepraat uit de marifoon. Ik kan het niet verstaan door het geluid van de motor en de wind om me heen. Laat maar even hoor, we gaan nu die boei pakken nu we hem zien. Dat lukt maar we krijgen alleen een dun hulplijntje te pakken. Ik dacht dat dat wel een paar minuten zou houden zodat we de dikke lijn kunnen binnenhalen, maar helaas. Pang en we drijven weer weg met in ons hand een plastic fles. Ilse had gelukkig gezien dat er op de zelfde plek meer boeitjes lagen en we vinden een andere. Deze keer pakken we meteen de dikke lijn en ja hoor, we liggen! We zijn heel blij en het is heerlijk om ineens even helemaal niks meer te hoeven. Ik roep nog wel Palmerston op om te zeggen dat het gelukt is. Dan krijgen we het verrassende antwoord dat er nog steeds een bootje buiten is om ons te helpen en hij ons heeft geprobeerd op te roepen. Dat was dus het gepraat op de marifoon. We wachten af en dan horen we ineens stemmen naast de boot. Een klein aluminium bootje doemt op uit het donker. "Hello, good evening, sorry Im late, youve got fenders?". We hangen de stootwillen op en de man en zijn dochter komen langszij. Zijn naam is Bob en hij zegt dat hij onze gastheer is op het eiland. Het is hier gebruikelijk dat de passerende jachten een gastfamilie krijgen toegewezen. Palmerston ligt namelijk tweehonderd mijl van het dichtstbijzijnde grote eiland af en heeft geen vliegveld. Een heel geisoleerde groep van 67 bewoners die overigens allemaal familie van elkaar zijn. Het enige contact met de buitenwereld is de bevoorraadingsboot die elke paar maanden langskomt en de passerende jachten. We voelen ons erg bevoorrecht dat we de kans hebben om een zeldzame plaats als dit te kunnen bezoeken. Bob zegt morgen terug te komen met de douane en daarna zal hij ons meenemen naar het eiland. Hij vertrekt weer. Wij vieren onze aankomst met een koud biertje en chips en duiken snel ons bed in.